Ik was een hork. Kan, terugkijkende op mijn leven, niet anders zeggen dan dat.
Begin jaren ‘90 deed ik een hbo-opleiding in Amsterdam. Ergens in het derde jaar waren we met nog maar vier studenten, van de oorspronkelijke 22. Een daarvan was een vrouw, J., van Surinaamse afkomst, die in Zuidoost woonde.
En toen was daar de Bijlmerramp. Die week kwam J. niet op school. De week erna ook niet. De week daarna wel. Dus ik vroeg of ze mensen had gekend in die bewuste flat. Ja, dat had ze.
O, wat erg zeg, vond ik. En ik ging weer door met m’n leven.
Ergens in dat jaar stopte J. ook met de opleiding; ik heb nooit geweten waarom, ik heb nooit geweten hoe het verder ging met haar. En ik heb me daar ook niet heel druk om gemaakt, al vraag ik het me dus nog steeds wel af.
De opleiding was in deeltijd, we zagen elkaar dus hooguit 40 keer per jaar. Er was nog geen whatsapp, we zagen elkaar op school en verder communiceerden we niet. Ik ervaarde met niemand een bijzondere band, al vonden we elkaar allemaal wel aardig.
Maar toch. Wat koud, om niet door te vragen.
Ergens in diezelfde tijd kreeg een vriendin van mij een miskraam. Ik legde haar uit, toen ik bij haar op bezoek ging, dat het kindje in aanleg waarschijnlijk van alles had gemankeerd, het was maar beter zo. Een reactie waarvoor je iemand op haar neus zou stompen, toch?
Want mijn vriendin had een warme schouder nodig, een zachte arm, een luisterend oor. En niet een soort mansplaining-maar-dan-door-een-vrouw.
Dit zijn maar twee voorbeelden van mijn gebrek aan inlevingsvermogen in verliessituaties, gepaard aan een zekere arrogantie ook nog.
Als mijn huwelijk een geslaagd huwelijk was geweest, had ik dat arrogante vertrouwen in ‘ik máák mijn leven oké en dus ís het oké’ wellicht nog jaren kunnen volhouden.
Maar mijn huwelijk was niet goed. En mijn toen-nog-echtgenoot had dat eerder door dan ik – die halsstarrig bleef volhouden aan het ideaalplaatje man, vrouw en kindjes – en verliet me plotseling, om een heel end bij ons vandaan te gaan wonen, waardoor zijn bijdrage aan de opvoeding beperkt bleef tot bezoekjes.
Mijn gezondheid was ik toen al min of meer kwijt, ik werd opnieuw ernstig ziek.
Opeens had ik te maken met flinke verliessituaties. Afscheid van het gezin zoals dat was, afscheid van de toekomst zoals ik die voor me had gezien, afscheid van een gezond lijf. En ik besloot m’n schouders eronder te zetten, door te gaan, ervoor te zorgen dat het mijn kinderen aan niets zou ontbreken. Want ach, wat hadden ze onwillekeurig al veel voor de kiezen gekregen.
Het was ploeteren, waardoor ik helaas nog maar weinig herinneringen heb aan de jeugd van mijn kinderen. Mijn agenda was altijd ramvol met afspraken, en was ie dat niet, dan moest ik dringend mijn huis poetsen.
Maar het was ook leuk en gezellig, want ik weigerde slachtoffer te worden van deze situatie.
En gaandeweg werd ik een leuker mens.
Het is deze zomer 20 jaar geleden dat mijn echtgenoot besloot elders te gaan wonen. In die 20 jaar is ongelooflijk veel gebeurd. Alledrie de kinderen werden volwassen, Vijf is nu 21, Marie is 26, Bas zou 27 zijn. Bas is al bijna acht jaar niet meer onder ons.
En waar ik aanvankelijk trots was op mezelf omdat ik dat gezin dus hoppetee in mijn eentje runde, met ongezond lijf met viermaal adhd in huis, zo maakte die trots plaats voor schuldgevoel toen het voor dat ene kind niet goed bleek uit te pakken allemaal.
Soms overspoelt me dat schuldgevoel nog. Dat ik voor mijn ouders niet het kind ben geweest dat ze graag hadden gehad. Dat ik voor dat ene kind niet de moeder heb kunnen zijn die hij nodig had. En ik weet heus dat ik heb gegeven wat ik had, maar het was niet genoeg om hem hier te kunnen houden.
Het was Bas zelf, die onlangs in een droom ‘mama’ zei. Alleen maar dat: ‘mama’.
En daardoor viel alles weer op z’n plek. Want Bas was mijn baby, mijn dreumes, mijn kleuter, mijn pubertje, mijn adolescent. Ik heb zo ontiegelijk veel van hem gehouden.
Soms zie ik hem lopen, zijn onhandige gang, met grote passen, een krullenkop erboven. En dan voel ik zo’n heimwee naar wie hij was.
Natuurlijk is het hem niet, het is een willekeurige slungel die ik zie. Maar ik zou er bijna naartoe stappen om hem even te knuffelen en hem te vertellen dat ik zoveel van hem houd.
En op de een of andere manier heeft hij die boodschap ontvangen, getuige zijn ‘mama’ in mijn slaap.
Arrogant word ik nooit meer en een hork hopelijk ook niet. Ik spreek veel mensen die een dierbare moeten missen door zelfdoding. En mijn hart bloedt voor hen allemaal, ieder van hen sluit ik in mijn hart, alle verhalen raken mij diep.
Steeds als zo iemand dan nabestaande is van een partner, of broer of zus – in plaats van van een kind, zegt diegene tegen mij iets in de trant van: ‘Ja sorry, voor jou is het natuurlijk veel erger, ik kan me niet voorstellen hoe het moet zijn om een kind te verliezen.’
En ik reageer standaard met: ‘Dit moet je niet vergelijken, ik kan me niets voorstellen bij jouw situatie, maar ik vind jouw verlies gewoon ook heel erg.’
Want je kunt het niet vergelijken, je kunt ook de ouders die een kind verloren niet met elkaar vergelijken. De een heeft een beter supportsysteem, de ander heeft nog meer akelige problemen, enzovoort. En ach, op je 20e je partner verliezen aan zelfdoding (ik noem maar wat), dat gun je toch je ergste vijand niet?
En het is niet zo dat ons het ergste overkwam dat een mens kan overkomen, ook dat geloof ik niet. Ik denk dan aan Gaza, Oekraïne, Sudan, ik denk aan de geschiedenis, aan mensen die werkelijk alles verloren: hun kinderen, hun huis, hun land.
Ik weet inmiddels hoe verlies voelt. Het maakte mij een beter mens, een nederig mens, eentje die dankbaar is voor wat er allemaal wel is. Maar ook eentje die beseft dat het morgen voorbij kan zijn allemaal.








0 reacties